IDtech
Koenders Identificatie Techniek
Technisch Onderzoek of Deskundigenonderzoek

Aanwijzing technisch onderzoek / deskundigenonderzoek

De Wet deskundige in strafzaken wijzigt het Wetboek van Strafvordering ter verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Stb. 2009, 33). Inwerkingtreding per 01-01-2010, zie besluit van 6 augustus 2009, Stb. 2009, 351

De Wet deskundige in strafzaken beoogt de positie van de deskundige in het strafproces te versterken.

Met de inwerkingtreding van deze wet vervalt de vaste gerechtelijke deskundige. In plaats daarvan komt de geregistreerde deskundige. Dit is de deskundige die geregistreerd is in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen (hierna te noemen: NRGD). De (hulp)officier van justitie is alleen bevoegd om deskundigen te benoemen die geregistreerd zijn in dat register. Voor het benoemen van niet in dat register opgenomen deskundigen, moet een vordering worden ingediend bij de rechter-commissaris.

Voor een goed begrip van de (gevolgen van de) wet is het van belang goed voor ogen te hebben dat de wetgever (niet zozeer in de wet zelf als wel in de totstandkominggeschiedenis ervan) verschillende vormen van onderzoek onderscheidt.

Allereerst wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds onderzoek dat tot het domein van de opsporings-instanties behoort (verder: technisch opsporingsonderzoek) en anderzijds deskundigenonderzoek.

Er zijn voorts twee vormen van deskundigenonderzoek, te weten technisch deskundigenonderzoek en overig deskundigenonderzoek. Dit onderscheid is relevant voor het antwoord op de vraag of ook de hulpofficier van justitie bevoegd is de opdracht te verlenen. Aangezien in deze aanwijzing de bevoegdheid tot het benoemen van deskundigen wordt voorbehouden aan de officier van justitie, wordt dit punt hier niet verder uitgewerkt. Voor de officier van justitie geldt dat hij uitsluitend in het NRGD geregistreerde deskundigen mag benoemen. Het benoemen van niet-geregistreerde deskundigen is derhalve voorbehouden aan de rechter-commissaris.

SCHEIDSLIJN TECHNISCH OPSPORINGSONDERZOEK / DESKUNDIGENONDERZOEK

In deze aanwijzing wordt verduidelijkt welk onderzoek als technisch opsporingsonderzoek heeft te gelden en daarom niet wordt aangemerkt als deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 150 Sv. De wetgever heeft niet voor ogen gehad onderzoeken die doorgaans door de technische recherche of specialistische functionarissen van andere opsporingsinstanties worden verricht, aan te merken als deskundigenonderzoek in de zin van de wet. Om die reden is dan ook aansluiting gezocht bij de specialismen die binnen de technische recherche beschikbaar zijn voor het maken van het onderscheid tussen technisch opsporingsonderzoek enerzijds en deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 150 Sv.

In alle gevallen waarin sprake is van een onderzoek als gevolg waarvan van het aangetroffen sporenmateriaal (nagenoeg) niets meer overblijft (zogenoemd destructief onderzoek), moet de opsporingsinstantie contact opnemen met de officier van justitie. Dit dient ertoe om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om, in overleg met de FO-officier, te laten beoordelen of er een deskundige moet worden benoemd en of de verdediging kan/moet worden betrokken bij het formuleren van de onderzoeksvraag en bij de keuze van de te benoemen deskundige.

Het bepalen van de scheidslijn tussen technisch opsporingsonderzoek en deskundigenonderzoek als bedoeld in de wet loopt langs twee lijnen:

a)      de fase van het opsporingsonderzoek

b)      het onderzoeksgebied.

 

Ad a: de fase van het opsporingsonderzoek

Onderscheid wordt gemaakt tussen de fase van het verzamelen en veiligstellen van sporen en de fase van de interpretatie en analyse van het verkregen sporenmateriaal. In de fase van het verzamelen en veiligstellen van sporen is geen sprake van deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv, ook niet wanneer deskundigen van buiten de opsporinginstanties (TNO, het Nederlands Instituut voor fysieke veiligheid (voorheen NIBRA), het NFI enz.) daaraan bijstand verlenen. Het feit dat die experts mogelijk als deskundige zijn geregistreerd in het NRGD, maakt hun inzet niet tot deskundigenonderzoek.

De bevoegdheid om opdracht te geven tot technisch opsporingsonderzoek is niet specifiek wettelijk geregeld. Ditzelfde geldt voor het – al dan niet met behulp van de Landelijke Deskundigheidsmakelaar (LDM) – inroepen van assistentie bij het verzamelen en veiligstellen van sporen. Het betreft dus een toepassing van de algemene bevoegdheid van de officier van justitie, waarvoor de bestaande werkafspraken over opdrachtverlening tussen opsporingsinstanties en OM blijven gelden.

Ad b: het onderzoeksgebied

In de fase van interpretatie en analyse van de veiliggestelde sporen en andere gegevens (geschriften, spraak, audio) hangt het ervan af op welk onderzoeksgebied het onderzoek plaatsvindt of dit al dan niet als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv moet worden aangemerkt.

Geen deskundigenonderzoek in de zin van de Wet deskundige in strafzaken

Onderzoek wordt niet aangemerkt als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv als het plaatsvindt op een onderzoeksgebied dat is vermeld op de lijst die is opgenomen als bijlage 1 én het wordt verricht door een opsporingsinstantie. Hier is sprake van een technisch opsporingsonderzoek.

De bevoegdheid om – al dan niet met inschakeling van de LDM – opdracht te geven tot technisch opsporingsonderzoek op deze onderzoeksgebieden is niet specifiek wettelijk geregeld. Het betreft dus een toepassing van de algemene bevoegdheid van de officier van justitie, waarvoor de bestaande werkafspraken over opdrachtverlening tussen opsporingsinstanties en OM blijven gelden.

Wél deskundigenonderzoek in de zin van de Wet deskundige in strafzaken

Onderzoek wordt wel aangemerkt als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv wanneer:

  • het onderzoek niet wordt verricht door een opsporingsinstantie;
  • een deskundige wordt benoemd die opdracht krijgt onderzoek te verrichten op een onderzoeksgebied dat niet is vermeld op de lijst die is opgenomen als bijlage 1;
  • een deskundige wordt benoemd voor een (nadere) analyse of beoordeling van de bevindingen van het technisch opsporingsonderzoek.

De officier van justitie is bevoegd opdracht te geven tot alle vormen van deskundigenonderzoek, maar hij kan alleen deskundigen benoemen die geregistreerd zijn in het NRGD. Als er geen geregistreerde deskundige (beschikbaar) is, dient de officier van justitie een vordering in bij de rechter-commissaris, strekkende tot de benoeming van een niet-geregistreerde deskundige (art. 176 Sv).

De officier van justitie kan zich over de vraagstelling voor het (aanvullend resp. tegen)onderzoek en de te benoemen deskundige laten adviseren door de LDM.